wild paard

IJdel gebruik van woorden

In Psalm 50 wordt de zonde besproken van een onreine mond en de gevolgen hiervan. Veel mensen gelovigen nemen Gods Woord over dit woord onderwerp veel te licht.

“Je gebruikt je mond voor lastertaal en verbindt je tong aan bedrog. Je getuigt tegen je eigen broer, werpt een smet op de zoon van je moeder. Zou ik dan zwijgen bij wat je doet, je denkt toch niet dat ik ben als jij? Ik klaag je aan, ik som je wandaden op … wie een dankoffer brengt, geeft mij alle eer, wie zo zijn weg gaat, zal zien dat God redt” (Psalm 50:19-23)

Hoe komt dat we Gods Woord over deze zaak niet vrezen en eerbiedigen? Waarom spreken we zo makkelijk over anderen met ijdele woorden? Waarom blijven we onze woorden onzorgvuldig gebruiken? Deze psalm vertelt ons waarom: “Je denkt dat ik ben als jij”.

Simpel gezegd, we maken een eigen beeld van God. We buigen Zijn Woord om onze neiging tot uiterlijk oordeel heen. We negeren Gods wegen waarin Hij kijkt naar de verborgen, diepere kwesties van het hart van die persoon.De Heer vertelt ons in Psalm 50: “Ik ga u aanklagen, want ik wil deze zaak rechtzetten. U moet deze bezoedeling net zo zien als mij: als slecht, kwaad en een ernstig gevaar voor uw ziel!”

Als dienstknecht van de Heer wil ik dat het leven van Christus stroomt door mijn prediking. En als echtgenoot, vader en grootvader wil ik dat dit leven vrijelijk uit mij stroomt naar mijn familie toe. Om die rede mag het niet gebeuren dat de bron van het leven van Christus in mij vervuild raakt. Ik kan het niet toestaan dat er gif in die bron komt, en ook geen hindernissen waardoor het niet meer vrij kan stromen.

Maar dit moet een bewuste beslissing zijn van mij. Ik moet het continu uitroepen naar de Heilige Geest. “Heer, laat het me elke keer zien wanneer ik mezelf vervuil”. David maakte ook zo’n beslissing. Hij schreef: “Geen kwaad kwam uit mijn mond” (Psalm 17:3). “Zet een wacht voor mijn mond, HEER, een post voor de deur van mijn lippen” (Psalm 141:3).

U zult zich misschien afvragen: “Is het werkelijk mogelijk om mijn tong te bedwingen, om niet te zondigen met mijn mond?”. David antwoord met dit getuigenis: “Ik had mij voorgehouden: Ik moet mij beheersen en mijn tong voor zonde behoeden, mijn mond met een muilband bedwingen te midden van mensen zonder God of gebod” (Psalm 39:1). In essentie zegt hij hier: “Iedere keer dat ik een paard bestijg moet ik een teugel in zijn mond doen. En zoals ik dit doe bij dit paard, zo moet ik dat ook met mijn tong doen”.